Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen

zondag 17 maart 2013

Een heerlijk moment


“Ik ben thuis!” roep ik terwijl ik de deur achter mij sluit. Een stilte volgt. Ik weet zeker dat hij thuis is, jas en schoenen liggen nog in de hal. Ik doe mijn eigen jas uit en zet de tas neer. Ik gooi mijn schoenen in de hoek, en schuif mijn voeten in de heerlijke zachte sloffen. Altijd fijn om weer thuis te zijn.
Ik loop naar de keuken en zet het water op. Een kop thee lust ik wel, en hij vast ook gok ik. Ik snijd twee dikke plakken van de cake die ik gisteravond heb gebakken. Eentje peuzel ik op; hmm lekker. Ik ben trots op mijn eigen bakkunst. De ander doe ik op een schoteltje. Uit de theedoos haal ik de rooibos thee en pak twee koppen uit de kast. Die nieuwe dubbelwandige theeglazen; zien er leuk uit en drinken heerlijk.
Ondertussen is het water gekookt en schenk ik de theeglazen vol. Ik pak het kleine dienblad uit de kast en zet de theeglazen en het schoteltje erop. Doelbewust loop ik naar boven, de hal door, en doe de deur van de kamer rechts zachtjes open. Ik kijk naar binnen en mijn hart maakt een sprongetje. Daar zit hij dan. Mijn man in die heerlijke donkere luie stoel. Verdiept in een boek. Van deze afstand kan ik niet zien welke maar ik gok op Dante. Of Wilde. Ik blijf even kijken, hij gaat er zo in op dat hij het niet merkt.
Ik klop zachtjes op de deur voor ik echt naar binnen loop. Hij kijkt op en een glimlach verschijnt om zijn mond. “He, wat ben je vroeg thuis.” Ik knik, zet het dienblad op de houten salontafel en loop naar hem toe. Hij legt het boek aan de kant en ik ga op zijn schoot zitten en geef hem een kus. Hij houdt me vast en ik leg mijn hoofd in zijn hals.
Zo zitten we een tijdje in stilte. Elk met onze eigen gedachten. “De thee wordt koud”, zegt hij. ‘Hmm hmm’, zeg ik en haal mijn hoofd van zijn schouder en kijk hem diep in de ogen aan. ‘Ik hou van jou’. “Ik ook, ik hou ook van mij”. Ik lach. ‘Ik meen het’. “Ik ook”. ‘Gemenerik.’ “Hoezo?”  ‘Stommerd.’ “Ik ook van jou schat, ik ook van jou.”
©JaneOnira

zaterdag 4 augustus 2012

Pak me dan...


“Pak me dan als je kan, je kan mij toch niet krijgen.”
Ik luister het met een glimlach aan. Even kijk ik op en staar naar de glimmende oogjes van mijn dochter. Ik steek mijn hand uit als ze naar me zwaait. Dan klinkt het geluidje van de telefoon, en buig ik mij weer over mijn mobiel.
“Pak me dan als je kan, je kan mij toch niet krijgen.”
Ik lach, in wat voor een bui is ze vandaag? Jannie, een goede vriendin van mij, is wel bezig zeg. De ene gevatte opmerking na de andere. Ik vraag me af of ze iets geslikt heeft ofzo. Zo ken ik haar helemaal niet.
“Pak me dan als je kan, je kan mij toch niet krijgen.”
Enthousiast begin ik een berichtje terug te schrijven, ik moet natuurlijk wel net zo gevat zijn en iets leuks terugsturen. Als je te lang wacht dan valt het gesprek weer stil, en dat is zonde want het is net zo leuk.
“Pak me dan als je kan, je kan mij toch niet krijgen.”
De zon brandt in mijn nek, lekker. Het voelt ook zowaar als vakantie. Hoewel we dit jaar helaas niet erop uit gaan, heb ik nu toch een soort van vakantiegevoel door het mooie weer. Even niets hoeven. Even niet denken aan de ellende. Maar gewoon, hier lekker op het grasveldje zitten. Even erop uit met dochter lief. Gelukkig weet ze zich goed te vermaken met de andere kinderen die hier zijn.
“Pak me dan als je kan, je kan mij toch niet krijgen.”
Ineens voel ik een koude, klamme, lucht langs mijn nek strijken. Ik kijk op, kijk om mij heen maar zie niets. Bliep, bliep. Oh hahaha, daar is Jannie weer. Hilarisch, wat een gek mens is het toch. Hoe komt ze erop? Driftig ram ik op mijn touchscreen. Wat een geweldige uitvinding is dit ding toch, ik zou niet weten wat ik zonder zou moeten.
Pak me dan...
Ineens realiseer ik mij dat het wel heel stil is geworden. Ik kijk op. Ik zie niets. Ik kijk weer naar mijn telefoon als het geluid van het binnenkomende berichtje klinkt. Dan ineens het besef; ik zie niets! Waar zijn de kinderen gebleven? Waar is mijn kleine meid gebleven?
Pak me dan...
Snel, even een berichtje naar Jannie sturen. Ik kom later wel bij haar terug, moet eerst even mijn meisje gaan vinden. Tot later, daag stuur ik erachter aan.
Als je kan...
Ik sta op van het bankje en kijk om mij heen. Ik zucht. Waar zal die kleine dondersteen toch gebleven zijn? Ze weet toch dat ze niet mag weglopen? Ze hebben vast weer een of ander stom verstop spel bedacht. Nou, daar trap ik mooi niet in. Echt niet. Ik loop gewoon richting huis dan komt ze vast vanzelf wel.
Als je kan...
Onderweg naar huis kijk is zo onopvallend mogelijk om mij heen. Niet te opvallend, anders krijgt die rotmeid nog door ook dat ik haar probeer te zoeken. Ik doe gewoon net alsof het mij niets kan schelen dat ze zich verstopt heeft. Dat zal haar wel leren. Het kan mij ook niets schelen, echt niet.
Je kan mij...
Ik had nooit aan kinderen moeten beginnen. Maar ja, een ongeluk zit in een klein hoekje hè? Voor je het weet is het leed al geschied. Te laat in de gaten en dan heb je ineens een blèrend kind in je handen. En och wat was iedereen blij. Iedereen. Behalve ik.
Ja kan mij...
Maar goed, ze is soms best lief hoor. Ik ben nu zo aan haar gewend. Het duurde even, maar toch. Alleen momenten als deze kan ik missen als kiespijn. Ik hou niet van spelletjes. Niet van dit soort spelletjes in ieder geval. Ik zucht, waar is dat kind toch?
Toch niet krijgen...
Ik open de deur en ga demonstratief op de bank zitten. Ik neem een woeste slok uit de glas cola die ik daar blijkbaar had laten staan. Ik geef haar vijf minuten en dan ga ik haar halen. Na drie minuten wordt ik toch enigszins nerveus, dat stomme kind ook! Het is nu klaar, ik ga haar wel zoeken. Ik ga wel meedoen in het achterlijke spel.
Toch niet krijgen...
Ik loop naar de deur. En zie daar; jawel hoor mijn kleine meid! Ik wist het wel. Ze staat in de deuropening, en heeft een rare grijns op haar gezicht. Ineens voel ik mij ongemakkelijk worden. “Dag mam”, zegt ze. Ik zie het te laat, en terwijl alles donker om mij heen wordt hoor ik haar stem verdwijnen in het niets.
“Pak me dan als je kan, je kan mij toch niet krijgen...”

©JaneOnira

zaterdag 7 juli 2012

Van supermarkt naar...



“Kijk eens”, hoort ze achter haar klinken. Het bekende hoge kinderstemmetje deed haar al grijnzen voordat ze zich omdraaide.”Papaaaaa, kijk nou” klinkt er vol ongeduld. Haar glimlach wordt nog groter, hij is met zijn vader.

Ze draait zich om, doet twee stappen naar voren en zegt ‘Boe!’! Hij slaakt een gilletje van schrik. “Heeee”, klinkt het. “Joepie! Ben jij ook boodschappen aan het doen.” Terwijl het ventje zijn armen ter hoogte van haar bovenbenen om haar heen slaat, kijkt ze naar zijn vader en glimlacht. “Hoi”. Hij knikt haar toe en spreekt zijn zoon toe “kom, laat haar ook rustig boodschappen doen.” “Ja maar, ja maar...”
“Niks geen ge-ja-maar, mee komen jij.”

‘Maar ik vind het niet erg’, klinkt het alsnog uit haar mond nu die twee al omgedraaid zijn en zich begeven naar de rij met snoep. Teleurgesteld kijkt ze weer naar haar mandje. Boodschappen. Wat moet ze ook alweer halen?
Ze weet het even niet, het liefst laat ze alles staan en gaat gewoon weer naar huis. Waarom kan hij nou nooit normaal doen tegen mij vraagt ze zichzelf af. Ze slaakt een zucht en probeert het van zich af te schudden. Boodschappen. Boodschappen dus.

Ze kijkt weer in het vriesvak. Welke pizza voor vanavond? Dan hoort ze een stemmetje zeggen “Lien, wil je vanavond bij ons komen eten?” Even denkt ze dat ze het droomt, dat ze het niet goed gehoord heeft. Ze draait zich om, kijkt hem in ogen aan. Hij glimlacht en knikt “hij wilt het graag”.
“Alsjeblieft, alsjeblieft, alsjeblieeeeeffft? We gaan heeel lekker voor je koken, je vind het vast lekker, toch pap? Ach pleeeaasse...?” Ze doet alsof ze er hard over moet nadenken. Dan verschijnt er een glimlach om haar mond. “Joepie!” klinkt het. “Zie je wel pap, ze doet het, ze doet het, ja toch Lien?”
‘Ja schat, ik doe het.’
“Yes!”


Zenuwachtig strijkt ze haar rok glad. Stel je niet aan, spreekt ze zichzelf toe en belt aan. Ze ziet de lange gestalte voor de deur verschijnen. Haar adem stokt in haar keel als hij de deur open doet. ‘Hoi’, zegt ze voorzichtig. Lien doe normaal, denkt ze bij zichzelf. “Kom verder, het eten staat al in de oven.”

Ze kijkt goed om zich heen terwijl ze naar de keuken lopen. ‘Je hebt het mooi opgeknapt.’ “Dank je, het was een hele klus maar, nou ja, je weet wel.” Hij haalt zijn schouders op. Ze kijkt hem aan. “Roseetje?” ‘Lekker’, antwoordt ze.
“Ja met dit mooie weer is dat toch wel het lekkerst om te drinken, nietwaar”, zegt hij terwijl hij een glas voor haar vult. ‘Euhm.. is je kleine man buiten?’, vraagt ze terwijl ze het glas van hem aanpakt, en al een klein slokje neemt. ‘Mm, lekker.’
“Nee, hij is bij mijn broer. Hij logeert daar vanavond.” Haar ogen worden groot van verbazing als hij dichter bij komt en het glas weer uit haar handen pakt en op tafel neerzet.
“Ik wilde met jou alleen zijn Lien, dat wil jij toch ook” zegt hij terwijl hij haar diep in de ogen aankijkt. ‘Ja, ik, euh, ik..’ Ze slaakt een zucht als zijn lippen de hare beroeren. “Dit is toch wat je wilt?”
‘Ja, nee, ja, ik...’
“Zeg het.”
‘Ja maar..’
“Zeg het.”
Ze zucht en kijkt hem diep in de ogen aan. ‘Ik wil dit’.



Niet veel later ligt ze nog in een heerlijke roes tegen hem aan. Haar ene been half over hem heen geslagen, haar hoofd op zijn blote borstkas. Hij streelt haar door haar haren en drukt er voorzichtig een kus op. Loom heft ze haar hoofd op en kijkt hem aan. ‘Ik hou van je.’
“Ik weet het”.
‘Nee, ik meen het.’
“Ik ook. Shit!”
Hij duwt haar van zich af en springt op. Verward kijkt ze hem na als hij de kamer uit rent. Ze pakt het laken, slaat het om zich heen en loopt eveneens de kamer uit.
Ze lacht als ze hem ziet staan. Met een fronsend, teleurgesteld gezicht staat hij met een zwartgeblakerde gevulde ovenschaal in zijn handen. “Sorry, ik kan best lekker koken weet je, alleen...”
‘Ik weet het.’
“Je weet het?”
‘Ja.’
Ze loopt naar hem toe, en streelt met haar vingertoppen over zijn buik. ‘Zet de schaal maar neer, dat ruimen we later wel op’. Ze pakt zijn hand en neemt hem weer mee waar ze vandaan kwamen.
“Ik ook van jou” zegt hij.
‘Ja’, zegt ze, ‘ik weet het.’

©JaneOnira

zondag 10 juni 2012

Stilte


Ze zit daar. Voor het raam. Helemaal alleen. Saai voor zich uit aan het turen. Ik vraag mij af waar ze aan denkt. Wat haar gedachten zijn. Of ze überhaupt wel denkt. Of dat ze gewoon even geniet van de stilte. Van de rust. Van het even niets.
Met een schrik lijkt ze haar hoofd te draaien naar iets wat achter haar gebeurd. Moeizaam staat ze op en loopt weg van het raam. Ik kan het niet meer zien. Wat zal er zijn? Was de telefoon gegaan? Had ze misschien bezoek gekregen? Ik blijf naar het raam kijken, maar ze verschijnt niet weer.
Ergens zou ik daar best eens een kijkje willen nemen. In dat huis. In dat huis waar de gordijnen veelal dicht zitten. In dat huis, zo afgelegen, zo verstopt. Af en toe zie ik de vrouw, daar voor het raam, stilletjes naar buiten kijkend. Meer niet.
Hoe zou het er van binnen uitzien? Vol tierelantijntjes? Met lelijke vloerbedekking, met een afschuwelijk kleed daarbovenop? Met behang dat van de muren schilfert? Met meubels van antiek? Grote, robuuste meubels in donkere kleuren? Het is altijd donker daar, alsof het huis geheimen heeft wat het nooit zal prijsgeven.
Het blijft een raadsel. Een raadsel wat ik eens opgelost wil zien. Maar waar begin je? Het telefoonboek. Helaas, daar staat ze niet in. Een naambordje lijkt de woning niet te bevatten, daar had ik al vluchtig naar gekeken. Nou ja denk ik, het zal wel.
En zo verstrijken er weer dagen dat ik niet aan het huis of de bewoonster denk. Tot nu. Mijn blik wordt getrokken door iets, ik weet niet eens wat, maar ik moét naar het huis kijken. Ik tuur, maar ik zie niets. Het was waarschijnlijk niks denk ik en begin al mijn hoofd om te draaien. Daar! Plots wordt wederom mijn blik getrokken naar het huis. Wat is dat toch? Ik kijk goed. Ik kijk beter. En daar zie ik het weer. Het is een hand. Een hand dat net boven het raam uitsteekt en naar mij zwaait. Och hemeltjelief denk ik, zal de vrouw gevallen zijn?
Ik loop naar het huis toe. Ik probeer door het raam te kijken maar de zon maakt het onmogelijk om ook maar iets te zien. Ik loop om het huis heen, op zoek naar de ingang. Hoe dichter ik de deur zou moeten naderen, hoe begroeider wordt het. Planten. Boompjes. Allemaal dicht op elkaar. Alsof niemand hier gewenst is. Ik ril van de gedachte, doe toch niet zo belachelijk zeg ik tegen mezelf.
Eindelijk vind ik dan de deur. Hij staat al op een kier open. Ik klop. ‘Hallo?’ Ik duw de deur verder open. ‘Mevrouw? Hallo?’ De deur kraakt. Huiverig blijf ik stilstaan, luisterend of ik iets hoor. Een vreemde walm komt me vanuit de deuropening tegemoet. Even aarzel ik; kan ik niet beter de politie bellen? ‘Hallo?’ roep ik weer. Ik kijk om mij heen. Niemand te zien. Ik haal een diepe teug adem en zet een stap over de drempel. ‘Hallo! Mevrouw? Alles goed met u...? Hallo...?’
Ik sta inmiddels middenin de gang. Het duurt even voordat mijn ogen aan het duister gewend zijn. Met moeite kan ik 3 deuren onderscheiden. Gezien de locatie denk ik dat ik de rechter deur moet hebben om naar het bewuste raam te gaan. Nogmaals roep ik ‘Hallo!’ maar ik hoor niets. Het is helemaal stil. Bah, denk ik bij mijzelf. Dit huis geeft me de kriebels. Maar die vrouw heeft hulp nodig dus ik open de rechter deur. Aarzelend schuifel ik voorzichtig door de deuropening, ook deze ruimte is zo donker dat ik moeilijk iets kan zien. De vloer voelt plakkerig en het kraakt. ‘Hallo? Mevrouw? Bent u hier?’
Dan hoor ik een piepend geluid achter mij en met een ruk draai ik mij om. In het duister meen ik de vrouw te kunnen onderscheiden. ‘Ach mevrouw, alles goed met u? Ik zag u zwaaien en ik dacht misschien bent u gevallen dus kwam ik maar even kijken en..... Mevr..AU!’ En het wordt ineens zwarter dan zwart.
©JaneOnira

vrijdag 18 mei 2012

De vader van Bas


Samen lopen ze uit de school. Hand in hand zoals echte vriendjes dat doen. Lieke kijkt om haar heen, waar is mama? Ze blijft even stil staan, verbaasd om zich heen kijkend. Geen mama. Dat is gek. Mama is nooit te laat. Bas merkt het en zegt ‘kom, mijn vader staat er wel’. Lieke knikt en loopt met Bas mee naar zijn vader. ‘Weet u waar mijn moeder is?’, vraagt Lieke aan de vader van Bas. Nee, de vader van Bas schudt zijn hoofd. Hij weet het ook niet. Nou wordt Lieke wel wat ongerust. Waar zou mama toch zijn? “Kom maar met ons mee”. Lieke twijfelt nog even en kijkt nog eens goed om haar heen. Nee, echt geen mama te zien. Ze knikt ‘oke’.
Hand in hand lopen ze naar het huis van Bas. Deze staat dichtbij school dus het is niet ver lopen. ‘We bellen zo eerst wel even naar je huis’, zegt de vader van Bas. Dat vindt Lieke wel een goed idee. ‘Het is jammer dat je zo ver weg woont, anders konden we er even heen lopen’, zei Bas. Lieke wordt altijd met de auto naar school gebracht. Ze haalt haar schouders op ‘ach...’
Eenmaal bij het huis van Bas aangekomen vraagt zijn vader aan Lieke wat hun telefoonnummer is. Lieke weet deze al goed uit haar hoofd. De vader van Bas toetst het nummer in. Maar helaas, er wordt niet opgenomen. Gelukkig is er wel de voicemail, de vader van Bas spreekt deze in. “Dag mevrouw Mulder, ik ben de vader van Bas, en omdat u net niet bij school was is Lieke met ons mee naar huis gekomen. Grootestraat 68, zoals u wellicht nog wel weet. Wilt u daar Lieke komen ophalen? Dank u wel. Daag.” En hij hangt de telefoon op. “Nou jongens, wat willen jullie drinken? En lusten jullie daar chips bij?” De kinderen springen blij op, dat lusten ze wel!
Eenmaal het drinken en de chips op. De film Finding Nemo afgekeken, hebben ze nog steeds niets van de moeder van Lieke gehoord. ‘Meneer, wilt u misschien nog een keer mijn moeder bellen?’, vraagt Lieke aan de vader van Bas. “Maar natuurlijk”, antwoordt hij. Helaas er wordt weer niet opgenomen. Hoe kan dat nou toch? Lieke vind het maar gek. “Och, wees maar niet bang”, zegt de vader van Bas. “Je kan bij ons blijven zolang als je wilt.” ‘Ja!’, roept Bas blij, ‘dan kan je ook bij ons blijven slapen, en misschien kunnen we dan wel een tentje in de tuin zetten, en samen voetballen, en in de speeltuin, of naar het bos!’ “Ho, ho”, zegt de vader van Bas. “Niet zo snel jij, we wachten maar even af wanneer de moeder van Lieke terugkomt. Gaan jullie nou maar naar de speeltuin, dan ga ik even klussen in de schuur. En dan gaan we daarna zoeken als je moeder er nog steeds niet is Lieke.”
Bas en Lieke gaan samen op weg naar de speeltuin. ‘Wat leuk dat jij zo dichtbij de speeltuin woont’, zegt Lieke. Bas knikt blij. ‘Ja er zijn altijd heel veel kinderen hier. Maar niet iedereen is lief hoor. Gelukkig ben ik nu met jou.’ Lieke kijkt haar ogen uit; wat een grote speeltuin! Er staat een schommel, een glijbaan, een klimtoestel, en bomen waar je in kan klimmen. “He Bas!” klinkt het. Een andere jongen komt aangerend. ‘Dit is mijn vriendinnetje Lieke’, zegt Bas vol trots tegen Jelle. Jelle is een van zijn beste vrienden. Ze spelen altijd samen in de speeltuin. “Zullen we gaan voetballen?” vraagt Jelle. ‘Of lummeltje spelen’, roept Bas uit. ‘Ja leuk’, zegt Lieke. “Mijn bal is lek”, zegt Jelle. ‘Oh, ik heb nog wel een bal hoor, die zal ik wel even halen.’ “Nee Bas, ik moet jou eerst nog even wat laten zien voor in onze schatkist!” Bas kijkt naar Lieke die haar schouders ophaalt. ‘Ik haal de bal wel, waar ligt die?’ ‘In de schuur’, antwoordt Bas.
Lieke loopt het laantje weer uit. Terug naar de tuin van Bas, waar het schuurtje staat. Een beetje verlegen staat ze voor de deur. Ze klopt netjes aan, en doet dan de deur open. Het is helemaal donker! Gelukkig komt er vanuit de deuropening wel wat licht.
Lieke schrikt. De vader van Bas schrikt ook. Maar Lieke kan alleen maar voor zich uit kijken. ‘Mama!’ De vader van Bas trekt snel zijn broek omhoog. De moeder van Lieke ligt daar zonder kleren aan, met allemaal bloed en stamelt zachtjes met haar laatste krachten “rennen Lieke, weg hier, rennen!” Lieke draait zich om, en ziet nog snel dat Bas de schuurdeur dichtdoet. “Neeeee”, jammert de moeder van Lieke. “Niet mijn kleine meid, niet mijn kleine meid....”
Bas ligt in bed. Zijn vader staat naast hem. ‘Dat was weer een leuke dag papa’, zegt Bas. “Ja zoon, dat was het zeker”. Hij geeft hem een nachtkus. “Welterusten jongen”. ‘Je bent de beste papa.’ “Weet ik jongen, wij zijn samen het beste team. Slaap lekker nu.” En met een glimlach draait hij zich om. De laatste klus wacht nu op hem.

©JaneOnira

zaterdag 7 april 2012

Zo ver weg, maar toch dichtbij


Ze rent naar beneden. De laatste trap af en daar, ze staat stil voor de brievenbussen. Met haar sleutel opent ze de hare, een envelop met een welbekend handschrift komt haar tegemoet. Ze glimlacht. Dit was waar ze op hoopte, de post die ze verwachtte!
Snel gaat ze naar boven, ze kan niet wachten om de envelop te openen. De eerste trap, de tweede en de derde. In haar haast struikelt ze bijna, oeps, toch iets rustiger aan. Ze weet ook wel, die envelop loopt niet weg, maar toch. Eenmaal binnen in haar huisje ploft ze meteen op de bank neer. Ze opent de envelop en begint gretig te lezen.
Binnen een paar minuten is ze er doorheen. Alles heeft ze gelezen. Ze zucht en staart voor zich uit. Haar gedachten maken buitelingen. Ze mist hem. Meer dan ooit.
Dan staat ze op en schenkt wat te drinken in voor haarzelf. Ondertussen blijven de gedachten ronddraaien. Hoe? Wat? Waarom? Zal? Maar? Kan? En dan? Ze schudt haar hoofd en probeert de gedachten te stoppen. De gedachten maken haar emotioneel. En als ze eenmaal emotioneel wordt is er geen land meer mee te bezeilen. Als ze eenmaal begint dan houdt ze niet meer op. En ze voelt zich juist nu zo goed, dat ze niet wilt dat het stopt. Dat haar gevoel weer 180 graden omdraait en ze weer in de put gaat zitten.
Snel kruipt ze achter haar computer. Ze weet, ze moet dingen doen. Iets doen helpt haar om gedachten te verzetten, om niet toe te geven, om niet te luisteren. Het houdt haar op de been.
Dit keer helpt het niet. Ze is te onrustig. De gedachten zijn te onrustig, te overheersend. Hoe graag ze ook wilt, ze kan haar hoofd niet stop zetten. Zelfs het allemaal van haar afschrijven, zojuist op de computer, helpt haar dit keer niet.
Ze slaakt een diepe zucht en doet de klep van haar laptop dicht. Ze is er klaar mee. Het heeft vandaag geen zin. In plaats daarvan, besluit ze op de bank te gaan liggen. Een fleecedekentje over haar heen. Een kopje thee in handbereik. Ze doet de tv aan en zapt wat rond. Daar voelt ze zich alleen maar beroerder van. Ze wilt dat niet, ze wilt zich niet zielig voelen.
Dan springt ze op en loopt naar de naastgelegen kamer. Ze pakt een heel mapje met papieren. Handgeschreven brieven. Van hem. Ze nestelt zich weer op de bank, pakt de eerste brief en begint te lezen. En te lezen.
Urenlang is ze ermee zoet. Urenlang leeswerk voordat ze door de stapel heen is. Uren met een traan en een lach. Met boosheid en verdriet. Maar als ze eenmaal aan het eind van de stapel is, is ze opgelucht en voelt ze zich goed.
Zo ver weg, maar toch dichtbij.
©JaneOnira

zaterdag 17 maart 2012

Daar waar het gebeurde


Ze loopt over het pad. Gehaast, doch niet te snel. “Hier kan je wel plassen hoor, toe maar, ga hier maar een plasje doen”, hoort ze een vrouw op kinderlijke toon zeggen. Ze kijkt even achterom. Och, dat mens heeft het tegen haar hond. Ze schudt haar hoofd, niet begrijpend waarom sommige mensen tegen hun hond praten alsof het een klein kind is. Nu heeft ze het sowieso niet op die beesten. Ze vindt honden altijd maar een beetje vies en eng. Nee, nooit geen hond voor haar.
Ze schudt de gedachten van zich af en realiseert zich dat ze moet doorlopen. Anders zou ze niet op tijd terug zijn. Bijna daar, kijkt ze om zich heen. Niemand te zien. Mooi, denkt ze en ze stapt van het pad af, dieper het bos in. Naar een plek dat niemand weet, dat niemand kent. Een plekje alleen voor haar. Haar eigen plekje.
Ze loopt nog een stukje door en blijft dan stilstaan. Als aan de grond genageld kijkt ze met grote ogen en wijd open mond voor zich uit. Wat is dat?
Haar hoofd draait overuren. Wat is dat wat ze ziet? Is hetgeen wat ze ziet, echt? Is het wat ze denkt dat het is? Wat moet ze doen? Ze kijkt om zich heen, ineens bang. Haar hart bonst als een bezetene. Het zweet staat in haar handen. Een knoop in haar buik. Wat is het toch? En wat nu? Niet op haar plek!
Ze doet een stap naar voren. Oké, vooruit, nog een stap. Twee stappen dichterbij wat haar zo abrupt stil deed staan. Ze is er nog steeds niet zeker van. Het lijkt wel... Of toch niet? Nogmaals kijkt ze om zich heen. Ze wordt toch wel wat meer ongerust nu. Stel... Stel dat iemand..? Nee, denkt ze. Dat kan niet. Niet op haar plek. Dat kan niet en dat mag niet.
Oké, denkt ze bij zichzelf. Er gewoon heen lopen en kijken of het zo is. Of zal ze zich toch omdraaien en weer naar huis gaan? Nee denkt ze, absoluut niet. Dat is geen optie. Ze moet het weten. Ze moet weten of het is wat het is. Of haar plekje daadwerkelijk verstoord is en nooit meer haar plekje zal zijn. Of haar plek überhaupt wel haar plek geweest is.
Plots hoort ze ergens achter haar het geluid van krakende takken. Ze verstijfd nog meer dan ze al was, en durft zich niet om te draaien. Dan schiet er in volle vaart een haas langs haar heen. Opgelucht haalt ze adem. Dat was het. Nu durft ze wel achterom te kijken. Zie je wel, er is niemand. Dat kan ook helemaal niet, want niemand weet hiervan. Of toch wel, peinst ze als ze haar blik weer naar voren verplaatst.
Haar besluit staat vast. Niet meer treuzelen nu, maar echt gaan kijken. Ferm recht ze haar rug, pakt nog even goed haar tas beet en loopt er naartoe. Met elke stap die ze dichterbij komt begint haar hart meer te bonzen. Nu kan ze nog terug. Nu kan het nog. Omdraaien en weggaan. Maar ze kan het niet, ze moet erheen. Ze heeft geen keus, ze moet wel.
De twijfels nu definitief van haar afschuddend loopt ze door. Ze loopt door tot ze er is. Daar blijft ze doodstil staan. Geen gedachtes. Geen beweging. Doodstil staat ze daar. Ze staart naar hetgeen wat ze ziet, totaal in vervoering gebracht. Doodstil. Ze merkt de beweging schuin achter haar niet op. Ze ruikt het niet, ze voelt het niet, ze hoort het niet. Doodstil staat ze daar. Ze kan geen kant meer op.
En daar is waar het gebeurde.
©JaneOnira

maandag 13 februari 2012

Bij De Tijd


Ze liep naar binnen. Haar harte bonkte als een bezetene in haar keel. Klamme handen. Kriebels in de buik. Ze kijkt rond en ziet hem al snel. Ze herkent hem en loopt meteen op hem af. Achteraf weet ze niet eens meer hoe de begroeting liep. Ze weet alleen nog dat haar kopje thee al klaar stond. Rooibos. Dat had hij goed onthouden.
Ze praten. En praten. Hij was zenuwachtig zag ze. Hij was wat ongemakkelijk. Durfde haar niet echt aan te kijken. Praatte veel. Ze lachte. Ze vond hem leuk. Zelf was ze ook wat ongemakkelijk. En achteraf weet ze ook niet meer waar ze het over gehad hebben. Het was fijn. Het was leuk. Kriebels in de buik.
Het werd drukker. Daar, in de Tijd. Het stationsrestaurant waar ze elkaar even ‘kort’ konden zien, hij was op doorreis. Toch in de buurt. Ze had getwijfeld maar is gegaan. Blij met deze genomen beslissing. Hoe eng ook. Als je elkaar nooit echt gezien hebt. Doodeng. Maar het ging goed. Ze vond het leuk. Ze vond het fijn.
Het werd te druk. Toen er ook nog een vaag persoon binnenkwam en vlakbij hun ging zitten, besloten ze op te stappen. Ze moest naar het toilet, door de zenuwen en de thee moest ze nodig plassen. Op het toilet haalde ze nog eens diep adem. Ze had geen idee wat haar nu overkwam, alleen dat ze de spanning leuk vond. Dat ze hem wel leuk vond. Hij was cute.
Ze liepen naar beneden. Het perron op. Daar stonden ze samen. Bij de rookpaal op het perron. Hij rookte een sigaret. Het stonk vond ze, al deerde het haar geen moment. Ze praten, ze lachten. Ze voelden zich ongemakkelijk. Hij pakte haar hand. De kriebels in haar buik namen toe. Ze voelde zich warm van binnen. Blij, gelukkig. Beter dan ooit. Het was leuk. Hij was leuk.
Hij trok haar dichter naar zich toe. Hij met zijn tassen, in pak en met die grote lange jas aan. Ze leunde tegen hem aan. Fijn. Hij boog zijn hoofd naar de hare. Hun lippen vonden elkaar. Ze zoenden. Voorzichtig. Hun lippen vonden elkaar. Hun tongen speelden een mooi spel. Ze maakte zich los, keek hem in de ogen en lachte naar hem. Nog meer kriebels in de buik.
Het was tijd. Zij moest gaan. Hij moest gaan. Andere verplichtingen. Elk hun eigen weg. Tot snel zeiden ze tegen elkaar. Vergezeld met een laatste, warme kus. Glimmend ging ze naar huis.
Op weg naar haar ouders. “Een nieuw begin” neuriet ze uit zichzelf onderweg. Kriebels. Stralende ogen. Raar gevoel. Haar ouders merkten wel iets, gaat het wel? Ach, gewoon wat slecht geslapen was haar excuus. Door naar het werk. Een avonddienst. Ze voelde zich niet lekker. Kon amper functioneren. Kriebels in haar buik. Knoop in haar buik. Telefoon; “ik kom naar je toe”.
©Jane Onira

zaterdag 11 februari 2012

De zon die schijnt


De zon die schijnt. Een hond die blaft. Een boor die klinkt, ergens in het flatgebouw wordt er druk geklust. De verwarming die brandt. De was die hangt te drogen. De computer staat aan. Een wit scherm staart haar aan.
Een dag als alle andere. Een dag vol gewone, gebruikelijk, dagelijkse dingen. Een dag vol boodschappen doen, wasjes draaien, schoonmaken, opruimen en rekeningen betalen. Een saaie dag eigenlijk. Maar toch voelt het voor haar niet zo. Ze is blij dat ze deze dingen kan doen. Dat ze wat om handen heeft, om te voorkomen dat ze bezwijkt in haar verdriet.
Ze loopt het balkon op. Zo in haar shirt. Het is koud, maar ze voelt het niet. Haar gezicht opgeheven naar de zon. De stralen die haar gezicht verwarmen. Ze huivert van de kou, maar voelt alleen de warmte van de zon. De zon, vol vuur. Krachtig en fel.
Ze zou willen zijn als de zon. Krachtig en fel. Zeggen wat ze op haar hart heeft. Niet te druk maken over wat anderen eventueel van haar zouden denken. Gewoon haar eigen leven leiden. Niemand die zich met je bemoeid, en als ze dat wel doen, interesseert het je niet want je gaat toch je eigen gang. Ja, zo zou het moeten zijn denkt ze.
Ze droomt. Ze droomt over een toekomst. Een heel burgerlijke toekomst. Huisje, boompje, beestje. Ze ziet een huis voor zich. Een hele leuke woning met een tuin. Een tuin die zon, maar ook schaduw biedt. Omdat het soms goed is om af te koelen.
In het huis loopt een leuke man rond. Haar man. De enige echte. Hij lacht liefdevol naar haar. In zijn ogen ziet ze de liefde, in zijn doen en laten voelt ze het. Hij is er. Voor haar en met haar. Kinderen, twee kinderen die rustig aan het spelen zijn, en de derde die in haar buik groeit. Ze is er voor de kinderen, dag en nacht. Haar man heeft een vaste baan, zij zelf werkt als freelancer. Lekker in haar eigen tijd, haar man helpt haar daarbij. Ze doen het eigenlijk samen, en hebben daar beiden profijt van. Ze genieten van het leven. Op mooie dagen zoals deze, gezellig thuis met het gezin. Maar ook regelmatig uitjes. Af en toe samen erop uit, even wat kwaliteit met hun tweeën. Lekker uit eten, naar de film, of een dagje er met zijn tweeën op uit. Vakanties met hele gezin. Een weekendje weg, een langere vakantie. Vol leuke dingen doen. Lachende kindergezichtjes, vreugde in het hart. Vol genieten van het leven en de geluksmomenten. Een stralende zon. Geen wolk te bekennen. Geen regen, geen sneeuw, geen hagel, geen onweer, geen storm die woedt. Nee, er heerst rust. Rust en vrede. Stilte. In vrijheid en gezondheid samenzijn. Genieten.
De telefoon gaat. Ze schrikt op. Terug is ze in de realiteit als ze de stem hoort. Het was maar een droom. Maar die zon? Die zon is haar redding. Haar hoop. Haar toekomst.
©JaneOnira

zondag 18 december 2011

Het goed bewaarde geheim


Ik zucht. Ik moet er heen maar wil niet. Ik heb geen keus, het moet een keer gebeuren. Het huis moet een keer opgeruimd worden. Volgende maand komt het weer in de verhuur en moet het huis leeg zijn. Dus ik sta voor deze taak, niets aan te doen. Ik trek mijn jas aan, pak mijn tas en loop naar buiten. Met de auto rijd ik naar mijn nichtje, we gaan dit samen doen. Gelukkig, dat scheelt weer. Gedeelde smart is halve smart zegt men weleens en dat is ook zo. Het geeft in ieder geval een geruststellend gevoel. Wetende dat je er niet alleen voor staat maar het samen kan doen.
Het is nu bijna een maand geleden dat ze overleed. Mijn tante. Mijn lieve, lieve tante. De moeder van mijn nichtje. Ook een beetje mijn moeder, ik heb erg lang bij hun gewoond omdat er problemen thuis waren. Nu moeten we haar huis opruimen. Ik zie aan het gezicht van mijn nichtje dat ze er ook geen zin in heeft. Ze ziet er ook tegen op verteld ze. Bang voor de herinneringen die ze niet weg wilt doen. Ze wilt haar moeder niet weggooien. Ze wilt niet naar dit huis waar haar moeder haar niet verwelkomen zal. Het is echter niet anders, het is iets wat moet gebeuren.
Eenmaal aangekomen bij het kleine huisje aan de dijk blijven we even in de auto zitten. ‘Kom’, zeg ik, ‘laten we maar gaan’. Met lood in onze schoenen stappen we de auto uit en lopen naar de voordeur. Met trillende handen opent mijn nichtje de voordeur en we lopen naar binnen. In de kleine woonkamer blijven we staan. Wat nu? Waar zullen we beginnen? We besluiten boven te beginnen en dan van boven naar beneden te werken. We willen alles sorteren; wat weg kan, wat we kunnen verkopen en wat we willen bewaren. We kijken dan later wel wie wat krijgt en hoe we alles wegdoen. Eerst alles maar sorteren en uitzoeken. We hebben er een paar dagen voor uitgetrokken, want ondanks dat het maar een kleine huisje is heeft tante veel spullen, en herinneringen zoek je niet zomaar even uit.
We lopen naar boven. Er is een heel klein zoldertje. Daar beginnen we. Met ons meegebrachte repen chocolade die tante zelf ook lekker vond beginnen we aan de klus. Op het zoldertje staat het barstensvol met dozen. Echt een heleboel dozen. Mijn nichtje pakt er één en ik pak er één. Alles willen we doorzoeken en bekijken, we willen het niet allemaal zomaar weg doen.
Zwijgend bekijken we de dozen. Het voelt raar. Alsof je ergens bent waar je eigenlijk niet mag zijn. Een doos met oud servies. Heel mooi nog. Dat kunnen we nog wel bewaren of verkopen. Een doos met oude tijdschriften. Volgens mijn nichtje zijn er liefhebbers die dat misschien wel willen hebben; ook bewaren dus maar. Een doos met oude banden. Videobanden. Er staan alleen jaartallen op; de data verloopt van 1987 tot 1997. In die periode heb ik bij tante gewoond maar kan niets bedenken wat op deze video’s zou kunnen staan, we hebben nooit echt video gekeken bij tante. Nichtje weet het ook niet; wat zal het zijn? We kijken elkaar aan en weten; we gaan dit bekijken. We moeten weten wat het is. Even twijfel; het is van tante en misschien is het wel heel persoonlijk. Nieuwsgierigheid wint het echter en samen lopen we de trappen weer af naar beneden. Tante heeft nog zo’n oud televisietoestel met een videorecorder. We zetten de doos naast de televisie, pakken ons meegebrachte pakjes drinken en leggen de repen chocolade op tafel.
Zijn we er klaar voor? Ja, laat maar doen. Ik ben benieuwd. Mijn nichtje zet de tv aan en stopt de videoband in de speler, drukt op play en er gebeurd niets. Er is alleen maar ruis te zien. Moet je hem niet eerst terugspoelen vraag ik? Nee zegt ze, dat was die al. Dan ineens wat gekraak en daar verschijnt een man in beeld. “Lieve kleine” hoor ik. Mijn nichtje kijkt verschrikt naar mij en roept iets. Ik hoor haar niet en kijk verbijsterd voor mij uit. Alle kleur is uit mijn gezicht weggetrokken en mijn hart bonst in mijn keel. “Lieve kleine, als je dit ziet is er iets ergs gebeurd. Dan is mijn lieve zus en jouw tante er niet meer. Lieve kleine, als eerste wil ik zeggen dat ik heel erg veel van je hou. Dat deed ik al toen je nog in je moeders buik zat, dat doe ik nog steeds en dat zal ik altijd blijven doen. Kijk deze foto heb ik pas gekregen en draag ik altijd bij me. Zo kan ik jou niet vergeten, en dat wil ik ook niet. Dat kan ik ook niet, nooit. Omdat ik van je hou en omdat het mij heel erg spijt dat ik niet bij je kon zijn. Dat ik niet in je leven kon zijn en dat ik je niet kon zien opgroeien.” Ik spring op en zet de video op stop. Mijn nichtje slaat haar arm om mij heen als ik begin te huilen.
Ik ben in de war, ik begrijp het niet. Ik wil niet verder kijken, want dit kan niet. Dit kan niet waar zijn. Dit kan niet echt zijn! Het kan gewoonweg niet. 1987... toen was hij al 4 jaar dood! Hoe kan hij die foto van mij hebben? Hoe kan het dat hij nog leeft? Waarom zie ik dat nu pas? ‘Voor antwoorden moeten we verder kijken’, zegt mijn nichtje. Ik weet het. Ik knik, doe maar, zet hem maar weer aan.
We kijken verder en het verhaal word duidelijk. Mijn vader kwam in contact met criminelen. Hij wist iets wat hij niet mocht weten en vertelde dat aan de politie. De mensen kwamen erachter en wilden wraak nemen. Daarom moest hij verdwijnen, daarom moest hij weg. En het moest snel want hij wilde niet dat ze erachter kwamen dat ik en mijn moeder er ook waren. Daarom ging mijn moeder een tijdje weg, ze was bij familie, maar naar mijn weten moest ze naar een instelling omdat ze het zwaar had met de dood van mijn vader. Ik ging naar tante, en hij was zogenaamd overleden. Neergeschoten door overvallers was wat ik wist. Hij kon niet vertellen waar hij zat, hij reist ook veel zodat ze hem nooit zouden kunnen vinden.
Video na video keken we. Elk jaar rond mijn verjaardag stuurde mijn vader een video zodat ik zou weten dat hij aan mij dacht als ik het later mocht weten. In 1997 was de laatste video. De doos was leeg en we konden niet verder. We renden weer naar boven, zal daar meer te vinden zijn? Na een aantal dozen doorzocht te hebben vond mijn nichtje tussen een stapel oude bankafschriften een echt lijkend overlijdensverklaring van mijn vader. Afgegeven op 22 februari 1998. Ik pakte het met trillende handen vast. Zal dit echt zijn? Wat is er gebeurd? Is hij gevonden door die criminelen? Waarom heeft tante dan niet eerder die video’s gewoon laten zien als hij toch al overleden was? Dan was er toch ook geen gevaar meer? Vragen, vragen, allemaal vragen. Zou er ergens in dit huis een antwoord te vinden zijn?
©Jane Onira

zaterdag 3 december 2011

Het stormt. Overal


Ze kijkt om zich heen. Geen verdachte figuren. Geen vreemde auto’s. Geen mensen in geparkeerd staande auto’s. Gelukkig, dat is een opluchting. Maar toch, je weet maar nooit. Ze is en blijft op haar hoede. Ze kan ook niet alles zien. Ze kan niet te opvallend om haar heen gaan zitten kijken, ze hoeven niet te weten dat zij ze doorheeft. Want ja, dat heeft ze. Ze weet dat ze kunnen komen. Haar droom van vannacht bevestigde dat gevoel alleen maar. Het liefst verstopt ze zich in de bescherming van haar huis maar de boodschappen moeten ook gedaan worden.
Het gewone leven gaat door. Mooi weer spelen voor de buitenwereld. Vriendelijk glimlacht ze naar de meneer met de hond ‘Goedemorgen!’. Als je me wat doet dan heb jij een probleem denkt ze. Ze weet heel goed hoe ze zichzelf beschermen kan.
Daar, de supermarkt. Ze snel mogelijk boodschappen halen. Ze voelt zich niet veilig. Ze had gister al een lijstje gemaakt, ze weet precies wat ze in de winkel nodig heeft en waar dat ligt. Enigszins behoedzaam maar snel loopt ze doelbewust door de winkel. Bedacht om de mensen om haar heen. Die man daar. Of die blinde vrouw. Na haar droom weet ze dat hij ook heel goed een vrouw zou kunnen sturen. Snel, snel, ze moet hier weer vandaan. Ze wordt steeds meer gespannen. Dit is niet goed denkt ze en ze is blij als ze eindelijk aan de beurt is bij de kassa.
Even een voorzichtige blik naar achteren. Wie staan er nog meer bij haar in de rij? Hm, die man. Hij heeft alleen maar croissantjes en een blikje cola. Uitermate geschikt voedsel. Ringetjes in zijn oren. Norse blik. Tatoeages en een houding wat agressiviteit uitstraalt. Haar hart bonst in haar keel. Dat zou zomaar kunnen. Ze weet ergens wel dat ze nu heel vooroordelend bezig is. Maar wat moet ze anders? Ze moet er wel op bedacht zijn, het kan niet anders, ze moet en zal overleven. Hoe dan ook.
Naar huis, naar huis denkt ze. Maar niet zomaar. Hij weet waar ze woont. Hij weet het. Hij weet de straatnaam, dat is zeker. Weet hij ook het huisnummer? Ze weet het niet. Misschien niet. Daarom moet ze voor verwarring zorgen. Gelukkig is er een gezamenlijke fietsenstalling onder de flat. Met een korte binnendoor weg in kleine straatjes tussen de huizen door fietst ze snel naar huis. Snel, sneller, ik moet hem voorblijven.
Als ze deur van de ingang van de fietsenstalling opendoet kijkt ze stiekem snel om haar heen. Niemand te zien. Ze verdwijnt naar binnen, stalt haar fiets en rent naar boven. Snel de derde verdieping doorlopen, achteraan twee trappen omhoog, snel weer naar beneden via de andere trap aan de andere kant van het immens grote flatgebouw, de hoek om en daar is ze weer. Thuis.
Zachtjes doet ze de deur open en haar hand glijdt weer in haar tas. Ze pakt het stevig beet om even de zekerheid te voelen, glipt naar binnen en doet de deur geruisloos achter haar weer dicht. Dat heeft ze nu al zo vaak gedaan, dat kan ze wel. Snel op het veiligheidsslot.
Stilletjes beweegt ze zich door het huis. Alle kamers loopt ze langs. De slaapkamer, onder het bed, in de kast. Niets. De keuken en de badkamer. Niets. De rommelkamer, niets. In de kasten? Niets. De woonkamer, onder de bank en om de hoek op het balkon. Niets. Er is niemand. Ze checkt de balkondeuren en de ramen. Alles is nog dicht. Ze loopt terug naar de voordeur en steekt haar sleutel in het slot. Ook deze deur is nu op slot.
Nogmaals maakt ze een rondje door het huis. Ze moet er absoluut zeker van zijn. Er is niemand. Gelukkig denkt ze en haalt haar hand weer uit de tas. De tas die ze overal meedraagt en continu bij haar heeft. Behalve op het werk, daar kan het niet. Maar dat is niet erg, ze heeft daar genoeg andere middelen tot haar beschikking. Ze weet hoe ze zichzelf moet verdedigen, ook daar.
Ze checkt de huistelefoon. Niemand heeft gebeld gelukkig. Ze checkt haar mobiele telefoon. Hoewel ze die uiteraard bij zich had moet ze toch even controleren of ze niet een oproep gemist heeft. Door het fietsen en de rumour van de supermarkt kan het maar zo zijn dat ze het niet gemerkt heeft dat de telefoon is overgegaan. En ja hoor, daar staat het. Een gemiste oproep. Ze tikt op het touchscreen. Een gemiste oproep van een geblokkeerd nummer. Haar hart bonst in haar keel. De gordijnen denkt ze ineens. De gordijnen achter waar ze vanochtend achter haar laptop even heeft gezeten staan nog open! Hoe stom kan ze zijn! Dat mag nooit maar dan ook nooit meer gebeuren, zo spreekt ze zichzelf streng toe.
Voorzichtig loopt ze naar de gordijnen. Zodanig dat ze van buitenaf zeer waarschijnlijk niet te zien kan zijn. Ze pakt een stuk van het gordijn en trekt de ene kant snel dicht. Nu de andere kant, dat is lastiger want daar heeft ze geen muurtje waar ze zich achter kan schuilen. Stel dat zij vanaf buiten haar in de gaten houden en haar de gordijnen zien dichtdoen? Dan weten ze het. Dan weten ze precies waar ze woont en dat ze nu thuis is. Dat mag niet. Ze bukt zich en kruipt onder het raam door naar het andere gordijn. Pakt deze onderaan vast met haar hand en trekt ook die snel dicht. Nog een geluk dat dit zo’n makkelijke gordijnrails is die goed meegeeft.
Stom, stom, stom van haar denkt ze. De gordijnen moeten gewoon dicht blijven, klaar. Maar de zon scheen zo lekker vanochtend, zegt een stemmetje in haar hoofd. Nee denkt ze, veiligheid voor alles. Die gordijnen blijven dicht.
Dan schiet het haar ineens weer te binnen; ze was gebeld. Geen voicemail? Even checken. Nee, geen voicemail. Vreemd denkt ze, meestal laat hij wel een bericht achter. Erg vreemd. Wat betekend dit nu weer? Ze staart peinzend voor zich uit. Het tijdstip! Hoe laat heeft hij gebeld? Ze checkt haar telefoon. 8.48uur staat er... Dat was.. Ze moet even nadenken, toen ze ongeveer de supermarkt uitliep? Ja dat was het! Dus toch! Oh God denkt ze; sta mij bij. Ze moet de voorbereidingen treffen. Ze moet er klaar voor zijn mochten ze hier komen. Ze moet het zekere voor het onzekere nemen. Hij komt te dichtbij. Ze heeft geen keus. En ondertussen zoeken naar nieuwe mogelijkheden. Weer een nieuw huis, een nieuwe baan en een andere naam. Ze moet wel. Het kan niet anders. Kostte wat het kost, ze moet.
Een uurtje later is ze klaar met de voorbereidingen in huis. Uitgeput zit ze op de bank. Straks zoekt ze wel naar nieuwe woonruimte en dergelijke. Nu even bijkomen. Ze zit daar rustig. Kalm. Beheerst. Ze voelt zich beter nu en grinnikt in haar zelf. Kom maar denkt ze. Kom maar stommeling. Ik ben er klaar voor. Helemaal klaar. Kom maar en mijn wraak zal zoet zijn. Ik moet wel. Ik moet alles geven. Als ik dit wezentje maar beschermen kan denkt ze en legt haar hand op de steeds dikker wordende buik. Kom maar.
©JaneOnira

woensdag 2 november 2011

Alleen aan de keukentafel


Ze zit alleen aan de keukentafel. Haar handen met de papieren trillen. Hij wil scheiden. Scheiden. Het woord dreunt door haar hoofd. Scheiden. Scheiden. Hij wil van haar af. Niet meer met haar verder. Niet met haar en met hun kinderen. Het is over. Voorbij.
Het is al lange tijd gaande. Er speelt al veel langer iets. Voordat ze gingen trouwen had ze hem al eens betrapt met een andere vrouw. Dat heeft ze hem vergeven. Want hij was zo lief en had er echt erg veel spijt van. Hoe had ze zo stom kunnen zijn?
Hij was veel van huis. Maar ja, er moest hard gewerkt worden om het mooie huis waarin ze woonden te kunnen betalen. Hoe blij waren ze niet toen ze zwanger bleek te zijn? En hoe verdrietig toen het na al die weken dragen toch misging en ze een heel klein kindje in hun armen hielden wat nooit zal gaan ademen. Ze zucht.
Ze hebben het ook leuk gehad samen. Wat houdt ze toch veel van die man. Hij heeft haar uiteindelijk 2 kinderen geschonken. Ze zijn samen door diepe dalen heen gegaan en hebben vele hoogtepunten ook samen beleefd. De vakanties, het 2jaar wonen en werken in een ander land, de bruiloft, de kinderen. Hij was altijd zo zorgzaam. Hoe kon het toch zo gekomen zijn?
Al langer is hij weinig thuis. Ze hadden veel ruzie. Er waren schulden. Er zijn nog steeds schulden. Hij was weinig thuis, zij stond er veelal alleen voor. Ze miste hem. Dat is toch niet gek? Daar kregen ze ruzie over. Soms kwam hij helemaal niet thuis en wist ze niet waar hij was. Gek werd ze ervan.
Vorige week heeft hij het haar verteld. Er was een ander. Al een langere tijd. Hij heeft bij een andere vrouw nog 2 kinderen. Twee kinderen die bijna net zo oud zijn als de hare. Nu heeft hij een andere relatie, maar hij woont alleen. Hij had ergens een appartementje gevonden.
Ze weet niet wat ze nu doen moet. Ze is van hem afhankelijk, ook financieel. Ze heeft geen werk. Ze heeft 2 jonge kinderen. Wat moet ze nu? Ze zucht en ze weet, ze moet door voor haar kinderen. De kinderen zagen hun vader al zo weinig, en dat zal er nu niet meer op worden. Ze moet zowel een moeder als een vader voor hun zijn. En dat gaat haar lukken. Ze moet. Voor hen. Want dit verdienen ze niet.
Daar zit ze dan. Met de geopende envelop en de papieren in haar nog steeds trillende handen. Tranen die over haar wangen stromen.
© Jane Onira