vrijdag 18 mei 2012

De vader van Bas


Samen lopen ze uit de school. Hand in hand zoals echte vriendjes dat doen. Lieke kijkt om haar heen, waar is mama? Ze blijft even stil staan, verbaasd om zich heen kijkend. Geen mama. Dat is gek. Mama is nooit te laat. Bas merkt het en zegt ‘kom, mijn vader staat er wel’. Lieke knikt en loopt met Bas mee naar zijn vader. ‘Weet u waar mijn moeder is?’, vraagt Lieke aan de vader van Bas. Nee, de vader van Bas schudt zijn hoofd. Hij weet het ook niet. Nou wordt Lieke wel wat ongerust. Waar zou mama toch zijn? “Kom maar met ons mee”. Lieke twijfelt nog even en kijkt nog eens goed om haar heen. Nee, echt geen mama te zien. Ze knikt ‘oke’.
Hand in hand lopen ze naar het huis van Bas. Deze staat dichtbij school dus het is niet ver lopen. ‘We bellen zo eerst wel even naar je huis’, zegt de vader van Bas. Dat vindt Lieke wel een goed idee. ‘Het is jammer dat je zo ver weg woont, anders konden we er even heen lopen’, zei Bas. Lieke wordt altijd met de auto naar school gebracht. Ze haalt haar schouders op ‘ach...’
Eenmaal bij het huis van Bas aangekomen vraagt zijn vader aan Lieke wat hun telefoonnummer is. Lieke weet deze al goed uit haar hoofd. De vader van Bas toetst het nummer in. Maar helaas, er wordt niet opgenomen. Gelukkig is er wel de voicemail, de vader van Bas spreekt deze in. “Dag mevrouw Mulder, ik ben de vader van Bas, en omdat u net niet bij school was is Lieke met ons mee naar huis gekomen. Grootestraat 68, zoals u wellicht nog wel weet. Wilt u daar Lieke komen ophalen? Dank u wel. Daag.” En hij hangt de telefoon op. “Nou jongens, wat willen jullie drinken? En lusten jullie daar chips bij?” De kinderen springen blij op, dat lusten ze wel!
Eenmaal het drinken en de chips op. De film Finding Nemo afgekeken, hebben ze nog steeds niets van de moeder van Lieke gehoord. ‘Meneer, wilt u misschien nog een keer mijn moeder bellen?’, vraagt Lieke aan de vader van Bas. “Maar natuurlijk”, antwoordt hij. Helaas er wordt weer niet opgenomen. Hoe kan dat nou toch? Lieke vind het maar gek. “Och, wees maar niet bang”, zegt de vader van Bas. “Je kan bij ons blijven zolang als je wilt.” ‘Ja!’, roept Bas blij, ‘dan kan je ook bij ons blijven slapen, en misschien kunnen we dan wel een tentje in de tuin zetten, en samen voetballen, en in de speeltuin, of naar het bos!’ “Ho, ho”, zegt de vader van Bas. “Niet zo snel jij, we wachten maar even af wanneer de moeder van Lieke terugkomt. Gaan jullie nou maar naar de speeltuin, dan ga ik even klussen in de schuur. En dan gaan we daarna zoeken als je moeder er nog steeds niet is Lieke.”
Bas en Lieke gaan samen op weg naar de speeltuin. ‘Wat leuk dat jij zo dichtbij de speeltuin woont’, zegt Lieke. Bas knikt blij. ‘Ja er zijn altijd heel veel kinderen hier. Maar niet iedereen is lief hoor. Gelukkig ben ik nu met jou.’ Lieke kijkt haar ogen uit; wat een grote speeltuin! Er staat een schommel, een glijbaan, een klimtoestel, en bomen waar je in kan klimmen. “He Bas!” klinkt het. Een andere jongen komt aangerend. ‘Dit is mijn vriendinnetje Lieke’, zegt Bas vol trots tegen Jelle. Jelle is een van zijn beste vrienden. Ze spelen altijd samen in de speeltuin. “Zullen we gaan voetballen?” vraagt Jelle. ‘Of lummeltje spelen’, roept Bas uit. ‘Ja leuk’, zegt Lieke. “Mijn bal is lek”, zegt Jelle. ‘Oh, ik heb nog wel een bal hoor, die zal ik wel even halen.’ “Nee Bas, ik moet jou eerst nog even wat laten zien voor in onze schatkist!” Bas kijkt naar Lieke die haar schouders ophaalt. ‘Ik haal de bal wel, waar ligt die?’ ‘In de schuur’, antwoordt Bas.
Lieke loopt het laantje weer uit. Terug naar de tuin van Bas, waar het schuurtje staat. Een beetje verlegen staat ze voor de deur. Ze klopt netjes aan, en doet dan de deur open. Het is helemaal donker! Gelukkig komt er vanuit de deuropening wel wat licht.
Lieke schrikt. De vader van Bas schrikt ook. Maar Lieke kan alleen maar voor zich uit kijken. ‘Mama!’ De vader van Bas trekt snel zijn broek omhoog. De moeder van Lieke ligt daar zonder kleren aan, met allemaal bloed en stamelt zachtjes met haar laatste krachten “rennen Lieke, weg hier, rennen!” Lieke draait zich om, en ziet nog snel dat Bas de schuurdeur dichtdoet. “Neeeee”, jammert de moeder van Lieke. “Niet mijn kleine meid, niet mijn kleine meid....”
Bas ligt in bed. Zijn vader staat naast hem. ‘Dat was weer een leuke dag papa’, zegt Bas. “Ja zoon, dat was het zeker”. Hij geeft hem een nachtkus. “Welterusten jongen”. ‘Je bent de beste papa.’ “Weet ik jongen, wij zijn samen het beste team. Slaap lekker nu.” En met een glimlach draait hij zich om. De laatste klus wacht nu op hem.

©JaneOnira

zaterdag 12 mei 2012

Leren van je fouten


Een seconde en het leven is veranderd. Een telefoontje en het leven is niet meer zoals voorheen. Verwarring. Hoe kan het toch?
Achteraf gezien had je allang door dat er wat gaande was. Diep van binnen wist je dat dit zou gebeuren. En je hebt er niks aan gedaan om dat te voorkomen. Helemaal niets. Dat schuldgevoel. Dat ellendige rotgevoel, dat je het in eigen hand had kunnen houden en dat je meer had kunnen doen, is vreselijk. Nooit kan je het uit je hoofd zetten. Nooit zonder het ‘wat als’. Wat als...? Tja, dan zat ik hier niet.
Omgaan met dat schuldgevoel is ontzettend moeilijk. Je had zoveel kunnen doen, maar hebt het nagelaten. Alles wat er is gebeurd, is je eigen schuld. Je verdiende loon wellicht. Maar wat nu als je het zo vreselijk graag wil goedmaken? Als je de hele wereld wilt laten zien dat het nu beter kan? Dat het nu beter zal gaan? Dat deze fouten niet meer gemaakt worden? Wie is er dan die naar luistert? Is er een God die het horen zal? Is er iemand die mij het juiste pad op sturen zal? Is er iemand die mijn dromen laat uitkomen? Mijn wens in vervulling doet laten gaan?
Het verlangen naar een leven. Onbezorgd en vrij. Gezond en gelukkig. Bestaat dat eigenlijk wel? Alles wat je meemaakt, maakt tot wie je bent. De goed dingen, maar juist ook misschien de slechte dingen. En wat zou ik toch graag aan iedereen willen laten zien dat ik geleerd heb. Dat ik niet meer ben wie ik was. Maar wie gelooft mij? Wie gelooft er echt in mij? Wie geeft mij die kans? En wanneer zal ik die kans krijgen? Hoe lang boeten voor je zondes? Wanneer is er daadwerkelijk de vergeving? En hoe ziet dat eruit?
Ik hoop zo op een kans. Een kans om het goed te doen. Niet over een paar jaar, nee, morgen al. Vandaag al. Nu!
Maar zo is het niet. Omdat je sommige dingen niet zelf in de hand hebt. Soms is willen niet genoeg. Soms is vechten niet genoeg. Omdat er anderen zijn die er hard tegenin vechten. Een botsing is dan onvermijdelijk. Maar waar die toe leiden zal? Ik kan alleen maar hopen dat de schade beperkt zal blijven.

©Jane Onira

zaterdag 5 mei 2012

Telefoneren; soms best lastig


“Je moet haar bellen”, zegt hij. “Daar schiet je meer mee op.”
Ik denk: ik wil haar helemaal niet bellen. Ik ga haar niet bellen. Daar heb ik zo geen zin in. Ik zeg: “Ja, oké, wel fijn trouwens dat zij dat voor je gedaan heeft.” Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan, wat een doorzichtige manier om van onderwerp te veranderen. Maar het werkt, hij komt er niet meer op terug.
De rest van de dag denk ik erover na. Wat is dat toch dat ik niet wil bellen? Waarom ik denk; bel mij maar, en als je mij niet belt, dan lekker niet. Waarom neem ik niet het fatsoen om zelf terug te bellen? Of die andere persoon te bellen?
Ik ben geen beller. Nooit geweest ook. Ik weet niet zo goed wat het is, maar ik word er enigszins ongemakkelijk van. Ligt overigens wel aan wie er aan de andere kant van de lijn zit, en in de loop der jaren gaat het stukken beter. Op werk gebied moet ik mezelf ook regelmatig over een drempel zetten om te bellen op een moment dat mijn collega’s naast mij zitten en meeluisteren. Of ze echt meeluisteren weet ik natuurlijk niet, maar de mogelijkheid dat ze meeluisteren en dat ik misschien iets verkeerd doe of zeg maakt mij zenuwachtig. Ongemakkelijk. Onzeker. Maar goed, drempel over en doen. Je moet het telefoontje tot slot wel plegen, je komt er niet onderuit.
Privé is dat ook anders. Ik bel niet zo snel. Nooit gedaan ook. Als iemand mij belde, praatte ik graag terug. Maar het initiatief nemen om zelf te bellen? Nee. En nu nog steeds heb ik daar moeite mee. Dan weet ik niet goed wat ik zeggen moet. ‘Moet’ ik iemand bellen die ik eigenlijk niet wil spreken, niet weet wat tegen te zeggen of bang voor opmerkingen waar ik niet op zit te wachten? En één van de weinige mensen die ik wel met alle liefde wil bellen, kan ik niet bellen. Tja, zal je altijd zien.

Gerinkel klinkt
de naam in beeld
doet mij verstijven
geen zin in.
Gerinkel klinkt
de naam in beeld
doet mij stralen
liefde.
Gerinkel klinkt
de naam in beeld
doet mij glimlachen
ik neem op.
Gerinkel klinkt
ik neem op
of niet
als het mij niet zint
En dan gaat die weer
ik kom er niet onderuit
nieuwsgierigheid wint
toch opnemen maar
Te laat
alweer opgehangen
dan niet denk ik dan
of toch terugbellen?
Ik bel niet terug
maar gedachten blijven komen
toch maar bellen
nee ik weet niet wat te zeggen
Gerinkel klinkt
ik kijk de andere kant  op
ik hoor het niet
of doe alsof
Gerinkel klinkt
ik zat er op te wachten
neem verwachtingsvol op
en smelt bij het horen van de stem
De een wel
de ander niet
Bang, onzeker
Wat te zeggen?
Gerinkel klinkt
alweer
ik neem
toch maar op
Maar bel niet terug.
Bel mij maar.

©JaneOnira

maandag 30 april 2012

Analfabetisme en laaggeletterdheid


Letters vormen woorden. Woorden vormen zinnen. Zinnen vormen een verhaal. Nietszeggende letters. Nietszeggende woorden. Nietszeggende zinnen. Nietszeggende verhalen. Als je niet lezen kan, zeggen die woorden op papier helemaal niets.
Een analfabeet is iemand die dat niet kan. Niet kan lezen, spellen of schrijven, of in een onvoldoende mate. Stel je dat eens voor. Nee, dat is haast niet voor te stellen. In deze tijden niet of slecht kunnen lezen en schrijven. Hoe lastig is dat? Het zou voor mij, als graag lezer en ook graag schrijver een ramp zijn. Hoewel, als je niet beter weet dan weet je niet beter, en is er vast een andere manier waarop je jezelf kan uiten of waar je creativiteit in kwijt kan.
In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen analfabeten en laaggeletterden. (Bron: Wikipedia) Laaggeletterden kunnen wel lezen en schrijven, maar in zo’n mate dat het niet genoeg is om te kunnen functioneren in de samenleving. En het gebeurd, het komt voor. Daar hoeft men geen allochtoon voor te zijn.
Laatst trof ik iemand die dat dus maar matig kon. Deze oer-Hollandse man, van begin 40, kon niet echt schrijven en amper lezen. Ik had een handtekening van hem nodig. Een soort kinderlijke krabbel volgde. Of ik wel even de tekst wilde oplezen waarvoor hij dan tekende, want lezen kon hij niet. Dan sta je toch even raar te kijken. Want hoe vaak kom je iemand tegen die dat niet kan? Zeer weinig toch zeker. Dyslecten, die ‘zie’ je nog wel eens. Die kunnen wel lezen en schrijven, maar missen een bepaald inzicht en kunnen het niet (geheel) interpreteren. Voor deze mensen kost het leren ervan ook erg veel moeite. Terwijl bij analfabeten het nog wel aangeleerd kan worden, zoals onze Wikipedia dat beschrijft.
Nieuwsgierig geworden naar het fenomeen analfabetisme en laaggeletterdheid, ging ik op zoek naar cijfers. Op de website van Stichting Lezen en Schrijven, dat gestart is op initiatief van H.K.H. Prinses Laurentien der Nederlanden in 2004, staat te lezen dat het geschatte aantal analfabeten in Nederland 250.000 is. 250.000 mensen die niet kunnen lezen en schrijven, dat is best veel. Laaggeleterdheid komt nog vaker voor. Van de mensen in Nederland van 16 jaar en ouder is anderhalf miljoen laaggeletterd, waarvan tweederde van Nederlandse afkomst is en eenderde van buitenlandse afkomst. Dat is veel. Veel meer dan je in je dagelijkse bezigheden zou vermoeden. Hoe redden deze mensen het in de nieuwe samenleving vol met geschreven woord? Vol met internet. Vol met social media. Ze vallen al snel buiten de boot.
Ik citeer even van de site (www.lezenenschrijven.nl):
In het dagelijkse leven hebben deze mensen bijvoorbeeld moeite met:
  • invullen van formulieren zoals bijvoorbeeld voor zorgtoeslag, kinderopvang of huurtoeslag;
  • lezen van straatnaamborden;
  • voorlezen van (klein)kinderen;
  • schrijven van een (verjaardags)kaart;
  • geld opnemen bij een pinautomaat;
  • opzoeken van vertrektijden van de trein ;
  • schrijven van een klachtenbrief;
  • lezen van recepten uit een kookboek;
  • lezen en begrijpen van gezondheidstips, patiëntenfolders en bijsluiters van medicijnen.

Het gaat hier over de laaggeletterden. Hoe lastig is dat? Dat is haast niet voor te stellen voor ons als lezers en schrijvers. Het feit dat u dit leest betekent dat u lezen kunt. Deze mensen kunnen dat niet. Dat ze dan geen artikel of blog kunnen lezen, maakt dan niet zoveel uit. Maar vul je belastingaangifte maar eens in. Verstuur een kaartje. Ga geld pinnen, of die straat opzoeken waar je wezen moet.
Op de site van deze Stichting staan interessante teksten te lezen. Zoals dat er best een grote groep schoolkinderen is, die niet of onvoldoende scoren op het gebied van lezen en schrijven. Dat laaggeletterdheid een hoop geld kost voor de maatschappij. Maar ook dat kinderen aangeven minder vaak te willen lezen: slechts 58% leest thuis voor het plezier.
Onze samenleving is ingericht op het feit dat wij allen aannemen en veronderstellen dat mensen het wel kunnen lezen, of iets op kunnen zoeken. Zo vanzelfsprekend is dat echter dus niet. En soms is het goed om daar even bewust van te zijn, en daarbij stil te staan. Want waar blijven deze mensen? Precies, in de laagste regionen van de maatschappij.
©JaneOnira

zondag 29 april 2012

Je dromen waarmaken


Je dromen waarmaken... Is dat niet iets wat iedereen zou willen? Je ultieme droom naleven en waarheid laten worden. Hoe mooier dan dat kan het zijn?
Mar de vraag is, wat is die ultieme droom eigenlijk? Wat wil je bereiken in je leven? Is er wel iets wat je zo ontzettend graag wilt, of zou willen? Iets wat je misschien niet voor mogelijk houdt, maar wat je stiekem wel graag zou willen. Hoe kom je daar eigenlijk achter? Is dat iets wat iedereen heeft: een droom?
Ik heb niet echt een droom. Ik heb niet echt een ambitie. Ik zou van alles willen doen, maar of dat nou ook echt die ene droom is? Die ene droom die je alles uit de kast doet trekken, waar je alles maar dan ook alles voor over hebt. Je passie.
Ik heb dat niet echt. Ik weet eigenlijk helemaal niet zo goed wat ik wil. Privé wel, ik weet met wie ik mijn leven zou willen delen. Ik heb een mooi ‘meisjesplaatje’ in mijn hoofd: een leuk, mooi huis, een fijne relatie, gezellige uitstapjes en een leuk gezin. Prima, daar gaan we voor! Maar op werkgebied...? Nee. Geen droom. Geen wens. Geen passie. Niet eens een echte hobby waar ik in uitblink, of waar ik mijn beroep van zou willen maken. Ik vind van alles leuk, maar wat vind ik leuk genoeg?
De vragen hangen een beetje samen met het zoeken naar de zin in het leven. Wat is het doel van het leven? Wat is het doel van jouw leven? Wat is het doel van mijn leven? Wat kan ik, wat wil ik? Ik heb geen idee.
Als ik naar werkgebied kijk weet ik dat ik meer kan. Ik ben net pas van baan veranderd, en ik vind het leuk voor nu, maar ik ga daar geen jaren slijten. Wat is dat toch? Die onrust? Het meer willen? Of het meer denken te kunnen. Studeren, dat zou ik graag willen. Maar wat dan? En voor welke prijs? En wat wil ik ermee bereiken? Dat weet ik eigenlijk dan ook weer niet.
Soms hoor, zie of lees je over mensen die hun droom hebben waargemaakt. Mensen die iets vol passie doen, ondernemen. Dat zou ik ook willen. Maar dan moet je wel een droom hebben.
©JaneOnira